Laatste update op 08 JUNI 2026

Loopbaanbeleid, scholing en ontwikkeling

Duurzame inzetbaarheid en vitaliteitsbeleid zijn belangrijk. Juist in een dynamische sector als de Kunsteducatie met veel flexibiliteit en meerdere kleine dienstverbanden of opdrachten. In het kader van de diverse maatschappelijke opdrachten van overheden en fondsen is blijvende ontwikkeling meer en meer noodzakelijk. Loopbaanbeleid met daarbij aandacht voor ontwikkeling en scholing is belangrijk. Sociale partners moedigen iedereen aan om hiermee aan de slag te gaan.

Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over opleiding en studie, kan ook ontwikkeling, cursus, workshop of coaching worden begrepen.

Artikel 6:1 – Algemeen

1. De werkgever zal ontwikkeling/scholing van de werknemer stimuleren door met deze werknemer een ontwikkel/scholingsinspanning overeen te komen. Deze ontwikkel/scholingsinspanning maakt onderdeel uit van de jaarlijkse vaststelling van de taakbelasting. De organisatie richt zich op het volledig benutten van het potentieel van elke werknemer, met een sterke nadruk op hun welzijn. Dit vraagt om persoonlijke benadering waarbij de unieke talenten en behoeften van elke werknemer worden gezien, gehoord en erkend. Indien nodig wordt ondersteuning geboden in de vorm van persoonlijke (externe) coaching, met het oog op voortdurende ontwikkeling, een leven lang leren, maar ook ter voorkoming van burn-out verschijnselen en ontevredenheid op de werkvloer.

2. De werkgever stelt jaarlijks in overleg met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging een ontwikkel/scholingsplan vast en bepaalt het daarvoor benodigde budget. Het scholingsplan is in lijn met een ondernemingsplan.

3. Onder scholing wordt in het kader van deze cao verstaan:

  • Een opleiding gericht op het uitbreiden en verbeteren van het vakmanschap.
  • Een opleiding gericht op het versterken van de employability van de betrokken werknemer.
  • Een opleiding op basis van de cao Kunsteducatie.

4. Kosten door de werkgever gemaakt vóór 1 juli 2019 ten behoeve van duurzame inzetbaarheid, mobiliteit en andere activiteiten gericht op versteviging van de positie op de arbeidsmarkt worden conform de Wet Werk en Zekerheid verrekend met de transitievergoeding. Voor werknemers met een dienstverband van minder dan tien jaar geldt dat er géén verrekening plaats zal vinden van eventuele opleidingskosten met de transitievergoeding.
Dit laat onverlet dat ten aanzien van de verrekening met de transitievergoeding van deze kosten gemaakt na 1 juli 2019 tussen werkgever en werknemer (afwijkende) afspraken gemaakt kunnen worden.

Artikel 6:2 – Opleiding op verzoek van werknemer

1. Een werknemer kan op eigen verzoek in aanmerking komen voor een vergoeding studiekosten, indien hiertoe tijdig voor aanvang van de opleiding schriftelijk een aanvraag wordt ingediend bij de werkgever. Indien de werknemer deze aanvraag ook aan een andere werkgever richt, heeft de werknemer de verplichting daarvan melding te maken.

2. Indien de werkgever van mening is dat de studie mede in het belang van de organisatie of in het belang van de sector kunsteducatie is, bevestigt de werkgever tijdig voor aanvang van de opleiding schriftelijk aan de werknemer toe welke kosten de werknemer vergoed krijgt.

3. Voor vergoeding komen in aanmerking

  • Maximaal 100% van de kosten van het cursusgeld.
  • Maximaal 100% van de eenmalige inschrijf- en examenkosten.

4. Niet in aanmerking voor vergoeding komen:

  • De benodigde tijd voor de opleiding.
  • Boeken en lesmateriaal.
  • Reiskosten.

5. De werkgever vergoedt de toegezegde tegemoetkoming als volgt:

  • De helft van de tegemoetkoming wordt vooraf vergoed.
  • De helft van de tegemoetkoming wordt na het behalen van het diploma/getuigschrift vergoed.

6. Studiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer deze reeds door een andere werkgever vergoed krijgt.

Artikel 6:3 – Opleiding op verzoek van werkgever

1. De werkgever kan een werknemer een aanwijzing geven om een opleiding te volgen als dit naar de mening van de werkgever voor de uitvoering van diens taak nodig is.

2. De werkgever neemt de kosten van de opleiding volledig voor zijn rekening.

3. De benodigde tijd voor het volgen van de cursus alsmede de tijd voor examens maakt onderdeel uit van de jaartaakbelasting van de werknemer. Studie-uren worden gerekend tot de werkuren en in de mate waarin de studielast staat genoemd in het curriculum van de studie.

Artikel 6:4 – Terugbetaling van studiekosten

1. Indien de werknemer tijdens de opleiding of binnen één jaar na beëindiging van de opleiding het dienstverband opzegt, betaalt de werknemer de ontvangen vergoeding volledig terug.

2. Indien de werknemer binnen twee jaar na beëindiging van de studie het dienstverband vrijwillig op- zegt, betaalt de werknemer 50% van de ontvangen vergoeding terug.

3. De werkgever is gerechtigd deze terugbetaling in te houden op de laatste loonbetaling.

4. Dit artikel is niet van toepassing op scholing die wettelijk verplicht conform artikel 7:611a BW is voor de uitvoering van werk waarvoor de werknemer is aangenomen.

Artikel 6:5 – Toekomstgericht ontwikkelen, duurzame inzetbaarheid en gezondheid

Vanaf 1 april 2026 wordt het toekomstgericht ontwikkelbudget uitgebreid. De manier waarop je het budget opbouwt blijft hetzelfde.

1. Opbouw van het budget: Je bouwt ieder jaar een individueel ontwikkelbudget op van 0,5% van het feitelijke bruto jaarsalaris. Het budget is minimaal € 252,- per jaar. Je bouwt dit bedrag iedere maand op. Kom je in de loop van het jaar in dienst? Dan wordt het budget naar verhouding berekend. Je bespreekt met je werkgever hoe je dit budget kunt gebruiken.

2. Doel van het budget: Je mag het budget gebruiken om nieuwe dingen te leren, jezelf verder te ontwikkelen of te werken aan je gezondheid of inzetbaarheid. Dit kan gaan over je werk van nu of over je werk van de toekomst.

3. Geldigheidsduur: Je kan je opgebouwde budget vier jaar bewaren en inzetten (na het einde van het kalenderjaar waarin het is opgebouwd). Na vier jaar vervalt het budget voor jou, maar blijft de waarde van het budget binnen de organisatie beschikbaar voor leren en ontwikkelen.

4. Duurdere opties: Kost de training of besteding meer dan het budget dat je nu hebt? Dan mag je, in overleg met je werkgever, alvast gebruikmaken van het budget dat je in de komende vier jaar nog gaat opbouwen.

5. Bij einde dienstverband: als je stopt met werken bij de organisatie, vervalt het budget dat je nog over hebt. Toekomstige inzet (zie punt 4) wordt verrekend. Er zijn twee uitzonderingen:

a. Je tijdelijke contract wordt door de werkgever niet verlengd: als je nog over hebt, krijg je het resterende budget uitbetaald;

b. Ontslag op initiatief van de werkgever: je bespreekt samen hoe je het resterende budget nog kunt gebruiken. Toekomstig budget dat je al had ingezet, wordt niet verrekend (punt 4).

6. Fiscale wetgeving: Bij aanwending van het ontwikkelbudget wordt rekening gehouden met de fiscale wetgeving. Indien de werknemer (een deel van) het ontwikkelbudget aanwendt voor een doel waarvoor een gerichte vrijstelling geldt, past de werkgever deze toe. Indien geen gerichte of andere vrijstelling toepasbaar is, vindt de uitkering plaats onder inhouding van de verschuldigde loonheffingen. De werkgever kan ik dat geval ook besluiten om de uitkering onder te brengen in de forfaitaire ruimte van de werkkostenregeling. De fiscale verwerking alleen kan geen grond zijn voor afwijzing van de voorgestelde aanwending van het ontwikkelbudget.

7. Verdere aanvulling door werkgever: Naast het ontwikkelbudget kan de werkgever de werknemer een verdere aanvulling op de vergoeding voor de kosten verstrekken.

8. Geen dubbele vergoeding: De kosten voor een activiteit/besteding worden niet vergoed als je hiervoor al alles van een andere werkgever betaald krijgt.